1 januari: Jezus’ besnijdenis

1 januari: Jezus’ besnijdenis

Kunst heeft o zo veel verrassingen en ingesleten tradities blijken te zijn gegroeid op een ouder kweekbed. Neem Oud en Nieuw. In de Rooms-katholieke kerk is dit de feestdag van de besnijdenis van Jezus. Lees hieronder hoe dit Joodse gebruik zich in de middeleeuwse kunst ontwikkeld had.

In Genesis 17 zegt God tegen Abraham: ‘Jullie moeten je voorhuid laten verwijderen; dat zal het teken van het verbond zijn tussen mij en jullie. In elke generatie opnieuw moet iedereen van het mannelijk geslacht besneden worden wanneer hij acht dagen oud is.’ Op basis hiervan werd ook Jezus acht dagen na zijn geboorte besneden. De enige evangelist die hierover schrijft, is Lucas: ‘Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen.’ Dat is precies wat Ludwig Schongauer in de tweede helft van de vijftiende eeuw afbeeldde (zie onder). Er is echter meer aan de hand dan alleen een illustratie van een Bijbelse gebeurtenis.

Voor Joden is de besnijdenis een teken van verbondenheid met God. Voor middeleeuwse christenen was een besnijdenis juist een teken dat je uitgesloten bent van het nieuwe verbond dat God met de mensheid sloot, namelijk doordat hij zijn zoon naar de aarde stuurde. Het woord ‘verbond’ betekent ‘testament’ en zo valt het Nieuwe Testament van de Bijbel samen met het leven van Jezus en wat erop volgde of volgen zou.

Het is een beetje turen om in de kunst de besnijdenis van Jezus te herkennen. Hier ziet u een detail van een gravure van Hendrick Goltzius uit 1594 (zie onder). In de middeleeuwen ontwikkelde zich de gedachte dat dit het moment was waarop voor de eerste keer het bloed van Jezus vloeide. In een populair kerstlied zong men

Doe acht dagen waren geleden
doe waert dat kynt besneden
al nae die ioedsche zeden
Dwelck ons van zonden vrijt.

Dat laatste betekent dat de besnijdenis ‘ons van de zonden bevrijdt’.

Volgens de Bijbel stond Jezus na zijn dood op en ging daarna met lichaam en al naar de hemel. Wat er van zijn lichaam op aarde bleef, was… inderdaad, de voorhuid. Deze kostbare reliek zou door een engel aan Karel de Grote zijn gegeven. De keizer bracht het onder in Rome, waar die in 1527 vandaan werd gestolen en in het Italiaanse Calcata terechtkwam. Dat is althans een van de legenden, want meer dan tien Europese plaatsen claimden (een stukje van) de voorhuid te bezitten, waaronder Antwerpen. Tot aan de beeldenstorm van 1566 bestond daar zelfs een Broederschap van het Heilig Praeputium. De Antwerpse heilige voorhuid is al heel lang kwijt en uit Calcata werd die in 1983 gestolen. Maar tot die tijd werd het ‘santo prepuzio’ ondanks dat de kerk in 1900 de verering had verboden, in een processie op nieuwjaarsdag rondgedragen:

Maar wat heeft nieuwjaarsdag met Jezus’ voorhuid en zijn besnijdenis te maken? Daarvoor moeten we terug naar de vierde eeuw. Romeinse feesten van eind december en begin januari vierden de zonnewende: dat wil zeggen het weer langer worden van de dagen en de terugkeer van de Sol Invictus, de onoverwinnelijke zon. Het christendom, dat in 313 legaal was geworden, onderdrukte deze feesten. Zij verdwenen echter niet. De jonge kerk nam ze dus met datum en al over. 25 december werd het feest van Jezus geboorte waarin het Romeinse Sol Invictus werd verwerkt en acht dagen later, op 1 januari viel dus de besnijdenis.

Ook 6 januari was een oud Romeins zonnewendefeest dat de jonge kerk incorporeerde. Het werd Driekoningen. Klik op de foto hierboven en kijk onze video over hoe de ‘magiërs uit het oosten’ zich in de kunst ontpopten als koningen met verschillende huidskleuren en namen.