1 mei
Nederland is een de weinige landen in Europa waar 1 mei geen officiële vrije dag is. In de meeste landen in de wereld wordt dan de Dag van de Arbeid gevierd, een uitgesproken socialistische feestdag. Voor ons is het de aanleiding om eens kunst met een rood karakter onder de loep te nemen.
Velen associëren socialistische kunst met de Sovjet-Unie of een ander communistisch of socialistisch land. Dat ligt voor de hand, aangezien de politiek daar meestal de kunsten reguleerde. Zo maakte de Russische beeldhouwster Vera Mukhina het kolossale beeld ‘Arbeider en kolchozboerin’ voor het paviljoen van de Sovjet-Unie op de Wereldtentoonstelling van 1937 in Parijs. Het is een schoolvoorbeeld van de socialistisch-realistische stijl. Rode kunst is echter diverser, zoals u hieronder lezen kunt.

Laten we eerst dat socialistisch-realisme definiëren. Het is een figuratieve stijl die arbeiders, boeren en ‘intellectuele arbeiders’ als helden presenteert: gezonde, meestal jonge en zelfverzekerde vrouwen en mannen die met de borst vooruit en de kin omhoog vastberadenheid uitstralen. Het beeld ‘Vriendschap’ dat de Poolse beeldhouwster Alina Szapocznikow in 1954 maakte, stond ooit in de hal van het Paleis voor Cultuur en Wetenschap in Warschau, een reusachtig wederopbouwproject in het hart van de stad. Ooit torsten de bevriende mannen, een Pool en een Sovjet-arbeider, een vlag, maar die is na de Wende verloren gegaan. Szapocznikow zelf zou vanaf de jaren 1960 overigens volstrekt ander, abstract werk maken.

In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog was de artistieke richting in de landen achter het IJzeren Gordijn nogal dwingend. De jonge Poolse socialist Andrzej Wróblewski schilderde in 1948 een groot werk dat hij ‘De emotionele inhoud van de revolutie’ noemde. Het is de abstracte compositie hierboven. Deze stijl beviel echter niet en Wróblewski knipte zijn doek doormidden en schilderde op de achterkanten de figuratieve werken die u hieronder ziet: repatrianten (links) en verzetsstrijders (rechts).


De arbeidersbeweging en het socialisme zijn ouder dan de Sovjet-Unie en haar vazallen. Hetzelfde geldt voor kunst die erdoor geïnspireerd is. Dit drieluik is bijvoorbeeld gemaakt in 1897 door de Belgische schilder Léon Frédéric, die er veel succes mee oogstte. Een jaar na zijn ontstaan werd het al door het Parijse Musée d’Orsay aangekocht. De titel is ‘De leeftijden van de arbeider’ en het is ietwat symbolistisch van aard. Weinig noeste arbeid is erop te vinden, eerder een grote mensenmassa die op de doeken is gerangschikt alsof het een altaarstuk betreft. Geschilderd twintig jaar voor de Russische Revolutie.
Niet veel mensen weten dat de datum van de Dag van de Arbeid oorspronkelijk aan een arbeidersoproer in Chicago herinnerde. Daar vond in de eerste meidagen van 1886 namelijk een bloedbad onder werklui plaats, die voor een achturige werkdag ageerden. Het is des te opvallender dat er in de VS weliswaar een Dag van de Arbeid is, maar dan in september.

Lange tijd was een door arbeiders en boeren geregeerde staat pure utopie. Dat veranderde na de Russische Revolutie toen in het grootste land ter wereld die utopie verwezenlijkt kon worden. Kunstenaars en architecten bouwden op een radicaal nieuwe wijze aan die eveneens radicaal nieuwe werkelijkheid. Vladimir Tatlin ontwierp in 1919 dit bouwsel: het monument voor de Derde Internationale. Het had 400 meter hoog moeten worden. Binnen de constructie bedacht Tatlin ruimtes die om hun as draaiden en waarbinnen de raden zouden vergaderen. Een ‘raad’ is in het Russisch overigens ‘sovjet’. Het monument is nooit uitgevoerd, mede omdat het socialistisch-realisme de staatsstijl werd. Zelfs de maquette is vernietigd. Hierboven ziet u een kopie daarvan uit Stockholm.

Niet alles wat er in socialistische staten aan kunst werd gemaakt, was socialistisch-realistisch. In Leipzig, dat na de Tweede Wereldoorlog in de DDR kwam te liggen, ontwikkelde zich een levendige moderne scene die bekend werd als de Leipziger Schule. Monika Geilsdorf schilderde in 1977 dit ‘Portret van Frieda G.’ In tegenstelling tot de beelden van Mukhina en Szapocznikow stelt het geen dertien-in-een-dozijn-heldin voor, maar een oudere, ietwat vermoeide, maar krachtige werksteren getuigt van psychologische introspectie.

Tot slot een stukje architectuur. Die had na de Tweede Wereldoorlog een voor de hand liggend doel: wederopbouw. In Berlijn, dat de schrijver Bertold Brecht ‘de puinberg bij Potsdam’ had genoemd, ontwierp Ludmila Herzenstein dit soort praktische, snel te bouwen flats. Daarvan werden er in 1950 evenwel slechts twee gebouwd. De DDR-leiding had namelijk een besluit genomen…

In het kort kwam het besluit erop neer dat arbeiders voortaan in paleizen zouden wonen. Dit zouden nieuwe gebouwen zijn, niet de oude koninklijke residenties. Aan de laan die in 1949 Stalinallee werd gedoopt, verrezen dit soort flats in een stijl die men Ost-Historismus noemt. Het is een mengeling van historische referenties, zoals de Dorische zuilen en fries, met het bombastische van Sovjet-architectuur. In ieder geval was het grootser dan de flats die Herzenstein had ontworpen en die smalend ‘Amerikaanse eierdozen’ werden genoemd.
Niets is eeuwig. In Europa is deze stijl passé. En de Stalinallee in Berlijn heet sinds 1961 de Karl-Marx-Allee.
